Waar staan we met IBR-bestrijding in Vlaanderen? (Deel 1)

Geplaatst op 02 Oktober 2015

Rundveehouders en dierenartsen maken sinds 2012 samen werk van het verplichte IBR-programma dat elk beslag oplegt minstens een I2-statuut te behalen. Zowel Vlaanderen als Wallonië maakten al sterke vorderingen in IBR-bestrijding en dit door een combinatie van vaccinatie op mogelijks besmette bedrijven, het opsporen van gE-positieve dieren (dieren besmet met wildvirus) en het doorgroeien naar een vrij statuut aan de hand van bloedonderzoeken. In 2014 erkende Europa het Belgische IBR-bestrijdingsprogramma, wat onze handelspositie in Europa verzekert.
Het doel is om de komende jaren IBR helemaal te bannen uit ons land. Op deze manier worden de economische schade van het virus en de bestrijdingskosten ervan geëlimineerd. Gezien het aantal besmette bedrijven jaarlijks daalt, is de tijd rijp voor een volgende stap in het programma. Vanaf komend stalseizoen start een nieuwe fase in IBR-bestrijding. Met deze artikelenreeks wil DGZ samen met de rundveesector iedereen op de hoogte brengen van de nieuwe accenten en uitdagingen in IBR-bestrijding.

IBR in Vlaanderen & België, van waar komen we?
IBR (voluit Infectieuze Boviene Rinotracheïtis) is een virusziekte die in België, net zoals in andere landen in Europa, in de jaren ’60 werd ‘ingevoerd’ met de Holsteins uit Amerika (vandaar ook in de volksmond ‘Canadese Griep’). Vooral in de beginjaren werd IBR-circulatie gekenmerkt door zeer ernstige uitbraken met felle ademhalingsproblemen en sterfte. Vanaf de jaren ’80 overheerste voornamelijk mildere varianten, doch steevast gekoppeld aan verdoken schade, vruchtbaarheidsproblemen, verwerpingen en een belangrijke afweerdaling. Het virus was wijdverspreid in Vlaanderen. Op vrijwillige basis werd het virus bestreden, doch een gezamenlijke bestrijding drong zich op. Er werden verschillende wetgevingen opgesteld, met in 1997 de aankondiging dat vanaf 2012 IBR-bestrijding, met de daaraan gekoppelde IBR statuten, voor elke rundveehouder een verplichting zou worden. Dit alles maakt dat België in de voorbije jaren zowel op vrijwillige basis als met de invoering van het verplichte programma, heel wat vorderingen heeft gemaakt in de bestrijding van IBR. Deze inspanningen werden in 2014 beloond met een officiële erkenning van het Belgische bestrijdingsprogramma door Europa.

Schatting van het aantal besmette bedrijven
Sinds 2010 wordt in de wintercampagne van het FAVV jaarlijks een steekproef uitgevoerd om een schatting te maken van de IBR-circulatie in België. In 2010 waren naar schatting 45% van de Belgische bedrijven besmet (zie figuur 2) (bron FAVV & CODA, Unit ERA/SURV). Het aandeel besmette bedrijven daalde sinds de invoer van het programma verder naar een besmettingsgraad van 17.8% in 2015. Deze cijfers tonen aan dat het bestrijdingsprogramma duidelijk werkt. Naar schatting is er in 2015? grofweg op slechts 1 van de 5 bedrijven IBR aanwezig. Door het systematisch vaccineren op I2-bedrijven wordt voorkomen dat jongvee besmet wordt met IBR, en wordt de viruscirculatie beperkt. I3- en I4-bedrijven hebben al dan niet gekoppeld aan een gerichte afvoer van gE-positieve dieren IBR uitgeroeid op het bedrijf.

Groei naar een vrij statuut is mogelijk!
Vanaf 2012 heeft elk rundveebedrijf in Vlaanderen een officieel statuut (zie tabel 1). Dit statuut komt niet steeds overeen met aanwezigheid van gE-positieve dieren, oftewel aanwezigheid van wildvirus op het bedrijf. De sector heeft wel de ambitie om alle bedrijven te laten doorgroeien naar een vrij statuut (I3) op basis van bloedonderzoeken. Op termijn zal verplichte vaccinatie tegen IBR dus uitgefaseerd worden. Lees hierover meer in een volgend artikel.
Het is belangrijk is te beseffen dat doorgroeien naar een vrij statuut (I3 of I4) zeker realistisch is. Naar schatting 4 op de 5 bedrijven in België is vrij van wildvirus. Uit de laatste wintercampagne bleek dat goed 70% van de I2-bedrijven geen IBR-besmette dieren heeft. Figuur 3 geeft per Vlaamse provincie een vergelijking weer tussen het percentage IBR-vrije bedrijven en het percentage bedrijven dat aan de hand van bloedonderzoeken reeds een IBR-vrij statuut heeft behaald. Hun aandeel (zie figuur 4, globaal 34% in Vlaanderen) wordt steeds groter.

Uitdagingen?
De uitdaging om de komende jaren door te groeien naar een IBR-vrij Vlaanderen is groot. Bij de start van het programma in 2012 heeft de veehouder? al dan niet bewust gekozen voor het behalen van een bepaald IBR-statuut (in grote lijnen: I2 door vaccinatie of I3/I4 bloedonderzoeken om aan te tonen dat het bedrijf vrij is). De komende jaren is het doel om verder bewust IBR te bestrijden en in de eerste plaats een evaluatie te maken van de IBR-situatie op het bedrijf door de infectiegraad in beeld te brengen. Op deze manier kan bepaald worden of vaccinatie, met als doel circulatie op het bedrijf te beperken, nog steeds noodzakelijk is.
Een correcte en aangepaste IBR-bestrijding op het bedrijf hangt af van vele factoren zoals infectiegraad, bedrijfsvoering, risico’s op insleep en arbeid. Een goede samenwerking tussen veehouder en dierenarts verhoogt het succes van de bestrijding.  Bedrijven die nu reeds een vrij statuut hebben behaald, blijven jaarlijks opgevolgd met ondersteuning van het Sanitair Fonds. Mogelijks besmette bedrijven (lees I2-bedrijven) moeten evalueren of de IBR-bestrijding via vaccinatie op hun bedrijf werkzaam is en of bijsturen nodig is. Bedrijven die nu reeds vrij zijn maar dit nog niet hebben aangetoond, worden gestimuleerd om de komende jaren door te groeien naar een IBR-vrij statuut (I3 of I4).

 

Tabel 1: IBR-statuten binnen het huidige programma en aantallen op 24 september 2015.

Statuut

Betekenis

Hoe

Aantal bedrijven

I2

IBR bestrijding door vaccinatie

correct vaccineren en correct en regelmatig melden

9742

I3

IBR-vrij (geen gE antistoffen), maar vaccinatie toegestaan

2 negatieve serologische screenings op gE antistoffen

4833

I4

Officieel IBR-vrij (geen gB antistoffen), geen vaccinatie toegestaan

2 negatieve serologische screenings op gB antistoffen

133

I2D

Derogatie van vaccinatie, éénmalig en maximum 1 jaar

<10% pos dieren en alle pos gehyperimmuniseerd

119

Auteur: Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw

 

Met uw vragen kunt u terecht bij DGZ op tel. 078 05 05 23 of e-mail helpdesk@dgz.be.